De Onderwijsinspectie heeft, met het oog op het onderwijs van de toekomst, de ambitie uitgesproken dat vanaf 2020 alle ervaren leraren in het vo voldoende bekwaam zijn om in hun lessen te differentiëren. Deze ambitie betreft ook het po, maar zal vanwege de grote verschillen tussen vo en po in de praktijk tot heel andere uitwerkingen leiden. In het vo ziet de docent de leerlingen immers maar enkele uren per week, binnen één vakgebied. Dit maakt het lastiger om de individuele leerling echt te kennen, zeker als je het vergelijkt met het po waar de docent dezelfde leerlingen de hele dag begeleidt. Doordat de leerlingen al ingedeeld zijn naar onderwijssoort is daarnaast de (gevoelde) noodzaak om te differentiëren in het vo kleiner dan in het po. Wat betekent de ambitie van de inspectie voor het vo?

Verwachtingen van de Onderwijsinspectie

Volgens het rapport van ResearchNed, dat de materie onderzocht, moeten vo-leraren ‘zich bewust zijn van verschillen tussen leerlingen en dat bewustzijn effectief en planmatig kunnen vertalen naar lessen die rekening houden met die verschillen’ (p. 4-5). Daarbij moet de school als geheel hen faciliteren en ondersteunen met passende onderwijsconcepten, ict, leerlingvolgsystemen, voldoende voorbereidingstijd, klassenassistenten etcetera. Grootse plannen, dus. Het is al bijna 2020. Wat komt ervan terecht in de praktijk?

Hordes

De meeste leraren zien het belang van differentiatie beslist in. Veel van hen zijn al, op allerlei manieren, actief bezig om in hun lessen meer te differentiëren. Mooie praktijkvoorbeelden zijn bijvoorbeeld te vinden op leerling2020.nl.Tegelijkertijd zijn er nog aardig wat hordes te nemen. Volgens het rapport is er bij leraren veel onduidelijkheid over wat differentiëren concreet inhoudt en weten ze niet goed wat schoolleidingen in de praktijk van hen verwachten. Ook zeggen veel docenten dat ze het lastig vinden om lesmethoden los te laten die differentiatie in de praktijk juist kunnen hinderen. Daarnaast worden de schoolfaciliteiten en de beschikbare voorbereidingstijd vaak nog als onvoldoende beoordeeld.

Gepland differentiëren

Elke leraar differentieert tijdens de les. Maar hoe maak je van ad hoc differentiatie planmatige differentiatie? Waarop differentieer je? Instructie, groeperingsvormen, niveau van de stof, doelen, tempo, leerstijlen, doceerstijlen, werkvormen? Of van alles wat? Zoek je het in gepersonaliseerde leerlijnen of werk je liever projectmatig, waarbij de leerling de rol kan innemen die op dat moment het best past? Differentieer je alleen binnen de klas, of wordt er samen met de hele school gedifferentieerd? Krijg je de faciliteiten en de tijd die je nodig hebt? Hoe ga je om met de toptalenten en met de leerlingen met een rugzakje? Al met al zullen op de Nederlandse vo-scholen heel wat knopen doorgehakt en uren geïnvesteerd moeten worden, voordat de contouren van het onderwijs van de toekomst zichtbaar zullen zijn. Het streefjaar 2020 lijkt behoorlijk ambitieus.

Kant-en-klaar wiel

Toch is er ook wind mee. Zo hoeft de docent niet wat betreft elk aspect het wiel uit te vinden. Er wordt op scholen veel ontwikkeld op het gebied van differentiatie dat ruimhartig ter beschikking wordt gesteld, zoals bijvoorbeeld op de hierboven genoemde website. Ook Diatoetsen helpen docenten op concrete wijze om planmatig te differentiëren in het leesvaardigheids- of tekstenonderwijs, met diagnostische toetsen die een duidelijk beeld opleveren van het niveau en het profiel van de leerling. In Diaplus vindt de leerling vervolgens materiaal op maat, waarmee op een gedifferentieerde manier aan de leesvaardigheid gewerkt kan worden. Daarmee past Diaplus naadloos in het onderwijs van morgen.

Fros van der Maden is eindredacteur Diaplus (vo.www.frosvandermaden.nl).

Bronnen: ResearchNed, Differentiëren en differentiatievaardigheden in het primair onderwijs, 2017. ResearchNed, Differentiëren en differentiatievaardigheden in het voortgezet onderwijs, 2017. Diataal (2014) Omgaan met verschillen, differentiëren op basis van toetsresultaten

© Nationale Onderwijsgids / Diatoetsen