Nationale Onderwijsgids

NOG Financiering

De kosten van een cursus hangen onder andere af van het niveau en de duur van de opleiding. Deze bestaan doorgaans uit verschillende onderdelen. Er is vaak sprake van een vast inschrijfbedrag, cursusgeld, materiaalkosten en examengelden. 

Cursusgeld 
 
Wanneer een student op 1 augustus 18 jaar of ouder is en een bepaalde opleiding volgt in het mbo of het volwassenenonderwijs dan moeten zij cursusgeld betalen. In het mbo moeten studenten die een beroepsopleidende leerweg (bol) en studenten die een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) volgen cursusgeld betalen. Hetzelfde geldt voor cursisten die een deeltijdopleiding in het volwassenenonderwijs (vavo) volgen en voor de deelnemers van de opleiding Nederlands als tweede taal (NT2). Het cursusgeld wordt door de particulier betaald aan de instelling waar de opleiding gevolgd wordt. 
 
Cursusgeld wordt betaald per cursusjaar, lopend van 1 augustus tot en met 31 juli. De overheid bepaalt ieder cursusjaar de hoogte van het cursusgeld van de vier hierboven genoemde opleidingen. De bedragen van het cursusgeld voor het cursusjaar 2017/2018 voor het deeltijd mbo-onderwijs, voltijd vavo-onderwijs, en deeltijd vavo-onderwijs vindt u hier. 
 
Collegegeld voor deeltijd of duale hogere opleiding
 
De hoogte van het wettelijk collegegeld dat studenten voor een deeltijd of duale opleiding aan een hogeschool of universiteit moeten betalen, wordt bepaald door de onderwijsinstelling zelf. De overheid stelt echter wel grenzen. Het wettelijk collegegeld voor deeltijd en duale hogere opleidingen mag in het leerjaar 2017/2018 niet lager dan 1185 euro zijn en niet hoger dan 2006 euro. Deze limieten gelden echter niet voor opleidingen met het kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs of voor het instellingscollegegeld.
 
Tegemoetkoming studiekosten voor particulieren
 
Een persoon die zelf zijn of haar studiekosten betaalt, kan een deel van de gemaakte kosten terugkrijgen via een fiscale regeling. Kosten als lesgeld en de kosten van studieboeken mogen namelijk, onder bepaalde voorwaarden, afgetrokken worden van de inkomstenbelasting.
 
Een voorwaarde is dat de particulier een opleiding of een studie voor zijn of haar (toekomstige) beroep volgt. Ook moet de particulier de kosten zelf betaald hebben. Hoeveel studiekosten een particulier af kan trekken van zijn inkomstenbelasting hangt af van het feit of er studiefinanciering uitbetaald is. Particulieren die geen studiefinanciering hebben gekregen berekenen hun aftrekbare studiekosten als volgt: tel de studiekosten en andere scholingsuitgaven bij elkaar op en trek hier vervolgens vergoedingen voor de opleiding, bijvoorbeeld gekregen van de werkgever, vanaf. Van het bedrag dat overblijft moet tot slot een drempel afgetrokken worden. Vanaf 2013 is de drempel vastgesteld op 250 euro. Het bedrag dat na aftrek van de drempel overblijft is het bedrag dat van de inkomstenbelasting afgetrokken kan worden.
 
Tegemoetkomingen studiekosten voor werkgevers 
 
Wanneer een werknemer een opleiding volgt naast zijn werk, kan de werkgever er voor kiezen om de opleiding te betalen of om de werknemer betaald verlof te geven voor studiedagen. Een werkgever die studiekosten betaalt, kan in bepaalde omstandigheden compensatie krijgen voor de gemaakte kosten. 
 
O&O-fondsen 
Wanneer een opleiding in de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) is opgenomen, kan het zijn dat er afspraken zijn gemaakt met Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fondsen). Deze fondsen dragen financieel bij aan de scholing van werknemers in hun branche. Of het O&O-fonds de desbetreffende opleiding vergoedt, hangt af van de afspraken die in de cao zijn gemaakt.
 
Subsidieregeling praktijkleren
De overheid komt werkgevers die werkleerplaatsen en praktijkleerplaatsen aanbieden tegemoet via de subsidieregeling praktijkleren. Door middel van deze subsidie wordt de werkgever gecompenseerd voor (een deel van) de kosten van de begeleiding van leerlingen, deelnemers of studenten en voor de loon- of begeleidingskosten van een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio). De afdrachtsvermindering onderwijs is sinds 1 januari 2014 vervangen door de subsidieregeling praktijkleren.
 
Om in aanmerking te komen voor de subsidie dient per onderwijscategorie (vmbo, mbo-bbl, hbo, promovendi en toio's) aan bepaalde voorwaarden voldaan te worden. Klik hier voor de voorwaarden. 
 

© Nationale Onderwijsgids