Onlangs zag ik Job binnen ons centrum, een kleuter die onderpresteert. Zijn ouders waren ervan overtuigd dat hun kind meer kon dan er op school uitkwam, terwijl de leerkracht van mening was dat de kleuter zijn handen meer dan vol had aan het aangeboden ontwikkelingsmateriaal. Interessant hoe ouders en een leerkracht zo kunnen verschillen in hun visie op een kleuter. Toch denk ik dat zij beide gelijk hebben in hun observatie, omdat deze kleuter op school ander gedrag liet zien dan thuis. En dat had in dit geval alles te maken met een ontwikkelingsvoorsprong. 

Vanwege het feit dat jonge kinderen nog volop in ontwikkeling zijn, spreken we ten aanzien van een bovengemiddelde intelligentie niet van hoogbegaafdheid, maar van een ontwikkelingsvoorsprong. Vaak blijken deze potentieel hoogbegaafde kinderen later daadwerkelijk (hoog)begaafd.
 
Pas 4 geworden en eindelijk mocht de ijverige kleuter naar school. Het moment waarnaar hij zo lang had uitgekeken! Maar zoals ook bij Job, eenmaal in groep 1 volgt een (grote) teleurstelling. Het aangeboden ontwikkelingsmateriaal biedt niet voldoende uitdaging, maar voor deze slimme kleuter beginnen wel de moeilijkheden. Het kind voelt zich niet begrepen door zijn omgeving, er ontstaan somatische klachten, frustraties krijgen de overhand, het wil niet meer naar school, et cetera. 
 
Wat bij Job gebeurde was dat de ontwikkelingsvoorsprong leek te verdwijnen. Met de nadruk op ‘leek’. Een kleuter met een ontwikkelingsvoorsprong is in staat om op hoog niveau te redeneren waardoor het al snel doorheeft dat het op een ander level denkt en handelt dat de meeste klasgenootjes. Dit hoge redenatieniveau zorgt er voor dat bij de kleuter de gedachtegang kan ontstaan dat het aanpassen aan zijn omgeving wellicht leidt tot minder strubbelingen en het gevoel er wel bij te horen. Job was na slechts enkele weken al begonnen met onderpresteren.
 
Onderwijsbehoefte
 
Als bekend is dat een kind bij de start op de basisschool een ontwikkelingsvoorsprong heeft, kan er meteen ingespeeld worden op de onderwijsbehoefte van het kind. Het is dus van groot belang om te signaleren, voordat een kind naar school gaat. Een cruciaal moment is ook de inschrijvingsprocedure op school. Van belang is om bij iedere inschrijving gericht te vragen naar kenmerken van een mogelijke ontwikkelingsvoorsprong. De start van het signaleren van kleuters met een mogelijke ontwikkelvoorsprong dient in de eerste of tweede schoolweek te gebeuren, voordat de kleuter de kans heeft zich aan te passen. 
Bij vermoedens van een ontwikkelingsvoorsprong is het van belang om zo snel mogelijk over te gaan tot diagnostisch onderzoek. Hierdoor ontstaat veel inzicht voor zowel ouder, leerkracht maar zeker ook voor de kleuter.  
 
Door bij Job de nodige onderzoeken te doen, na het ontstaan van problemen, is er een ontwikkelingsvoorsprong vastgesteld en een plan van aanpak opgesteld passend bij zijn ontwikkelingsprofiel. Deze kleuter zit nu lekker in z’n vel en gaat met plezier naar school, maar dat heeft wel kostbare tijd gekost en de nodige inspanningen van ouders en school.
 
Gelukkig konden we in deze situatie ingrijpen, maar bij hoeveel kinderen wordt het probleem niet herkend, waardoor ze later onherstelbare schade oplopen. Wees scherp op het potentieel van onze kleintjes, want voorkomen is beter dan genezen.
 
Als orthopedagoog, onderwijskundige en voormalig leerkracht binnen het Onderzoekscentrum Hoogbegaafdheid richt Catharina Hoeksma zich specifiek op sociaal-emotionele problematiek bij kinderen in de leeftijd van 3 tot 16 jaar, waarbij deze problemen verband houden met hoogbegaafdheid. Het vaststellen van de mate van begaafdheid en het maken van een koppeling met de persoonlijkheid staat hierbij centraal. Vanuit haar expertise schrijft zij vanaf heden op de Nationale Onderwijsgids over meer- en hoogbegaafdheid bij kinderen in het onderwijs.
 
© Nationale Onderwijsgids / Catharina Hoeksma