Groot deel jongvolwassenen woont nog thuis, behalve in studentensteden

Een steeds groter deel van de jongvolwassenen van 18 tot 30 jaar woont nog bij hun ouder(s). Begin 2023 woonde bijna 46 procent thuis, in 2003 was dat nog bijna 40 procent. Vooral vanaf 2010 nam het percentage thuiswonenden toe. Jonge mannen wonen vaker thuis dan jonge vrouwen, maar dit verschil is kleiner geworden. Dat meldt het CBS op basis van nader onderzoek vanuit de Landelijke Jeugdmonitor.

De meeste jongeren verlaten het ouderlijk huis tussen hun 18e en 30ste. Begin 2023 woonde bijna 89 procent van de 18-jarigen nog thuis, van de 29-jarigen was dat ruim 11 procent. Voor alle leeftijden is het percentage thuiswonende jongvolwassenen groter dan twintig jaar geleden.

Invoering van het leenstelsel 

Vooral onder jonge twintigers was het percentage thuiswonenden groter dan twintig jaar geleden. In 2003 woonde bijna 50 procent van de 21- tot 24-jarigen bij de ouder(s) thuis, in 2023 was dat bijna 58 procent. Onder 18- tot 21-jarigen nam het percentage thuiswonenden vooral na 2015 snel toe. Deze toename valt samen met de invoering van het leenstelsel. Uit onderzoek blijkt dat vanaf 2015 vooral hbo- en wo-studenten minder vaak uit huis gingen dan in de jaren daarvoor.

Ook werkenden wonen langer thuis 

Onder jongvolwassenen van 27 tot 30 jaar was deze toename het kleinst, maar ook zij woonden vanaf 2010 vaker thuis. Thuiswonenden van deze leeftijd zijn dan niet alleen hbo-of wo-studenten, maar ook steeds vaker werkenden.

In de afgelopen twee jaar is het percentage thuiswonende 18- tot 30-jarigen niet veel meer veranderd. Onder tieners daalde het, onder midden-twintigers nam het verder toe.

Verschil mannen en vrouwen 

Mannen wonen van oudsher langer thuis dan vrouwen, maar het verschil tussen thuiswonende mannen en vrouwen is de laatste jaren wel kleiner geworden. Tussen 2003 en 2023 steeg het percentage thuiswonende jongvolwassen mannen van ruim 47 procent naar ruim 51 procent, dat van vrouwen nam in dezelfde periode toe van ruim 31 naar ruim 40 procent.

Onder 21-tot 24-jarigen nam het verschil tussen jongvolwassen mannen en vrouwen het meest af. In deze leeftijdsgroep steeg het percentage thuiswonende vrouwen het meest. Bij mannen was de toename van thuiswonenden het grootst onder 24- tot 27-jarigen; in die leeftijdsgroep nam het verschil met vrouwen minder af.

Studentensteden 

Van de 20- tot 25-jarigen woonde in 2023 in totaal ruim 57 procent nog thuis, onder 25- tot 30-jarigen was dat bijna 20 procent. Twintigers in studentensteden wonen naar verhouding het minst vaak thuis. Dit zijn vaak jongeren die voor studie of werk verhuisd zijn en op kamers of zelfstandig wonen. In Groningen is het percentage 20- tot 25-jarigen dat thuis woont het kleinst, gevolgd door Wageningen, Delft en Maastricht.

Ook onder 25- tot 30-jarigen is het percentage thuiswonenden het kleinst in (studenten)steden. De gemeenten waar naar verhouding veel oudere twintigers thuis wonen, zijn vooral te vinden in het oosten van het land, en in Noord-Holland. In Bloemendaal, Dinkelland en Rozendaal is het percentage thuiswonende 25- tot 30-jarigen het grootst.

Door: Nationale Onderwijsgids