Strategisch personeelsbeleid in het vo staat stevig, maar praktijk blijft achter
Het voortgezet onderwijs heeft in 2025 een stabiele basis gelegd voor strategisch personeelsbeleid. Dat blijkt uit de nieuwste monitor van de Universiteit Utrecht, uitgevoerd in opdracht van de VO‑raad. Besturen en schoolleiders beoordelen vier van de vijf onderzochte onderdelen als ruim voldoende tot goed, onder meer de aansluiting op onderwijskundige doelen en externe ontwikkelingen. Dit meldt de VO-raad.
Toch blijkt de vertaling van beleid naar de dagelijkse praktijk een hardnekkige uitdaging.
Leraren ervaren beleid minder positief
Leraren beoordelen het personeelsbeleid minder gunstig dan leidinggevenden, al zijn lichte verbeteringen zichtbaar. Op ongeveer de helft van de scholen sluit het beleid redelijk aan op de werkvloer, maar bij een aanzienlijk deel blijft de ondersteuning voor leraren beperkt. Dat is relevant omdat hun inzet en welzijn direct samenhangen met de kwaliteit van het onderwijs.
Duurzame inzetbaarheid blijft kwetsbaar
De stabiliteit in 2025 hangt samen met beschikbare kennis, beleidsruimte en financiële middelen. Tegelijkertijd scoren maatregelen rond duurzame inzetbaarheid slechts net voldoende. De focus op het oplossen van personeelstekorten en het wegvallen van extra middelen remmen verdere ontwikkeling.
Volgens de onderzoekers spelen ook andere factoren mee:
- gebrek aan actuele informatie over ondersteuningsbehoeften
- beperkte tijd voor professionele gesprekken
- een HR‑apparaat dat nog niet overal volledig wordt benut
Sector zoekt naar gezamenlijke aanpak
Voor de komende jaren is een structurele aanpak nodig waarin scholen, regio’s en de sector gezamenlijk leren en ontwikkelen. De VO‑raad werkt aan een voorstel voor een collectieve voorziening voor strategisch personeelsbeleid. Dat plan wordt in juni 2026 voorgelegd aan de ALV.