Typen basisonderwijs

De verschillende typen basisscholen in het primair onderwijs op een rijtje:

Openbare school
De openbare school werkt niet vanuit een bepaalde godsdienst of levensovertuiging. Kinderen van alle levensovertuigingen en godsdiensten kunnen zich hier inschrijven. Ongeveer een derde van alle kinderen in het basisonderwijs, zit op een openbare school.

School met geloofsovertuiging
Naast de openbare scholen zijn er de scholen op basis van geloofsovertuiging, zoals het o.a. Christelijk, Katholiek, Protestants, Joods en Islamitisch onderwijs. Het geloof loopt als rode draad door het onderwijs: zo worden belangrijke feestdagen gevierd en zijn er godsdienstlessen. De mate waarin het geloof verder terug te vinden is in de dagelijkse praktijk, varieert per school.

Sommige scholen hebben een weekopening waarin een verhaal uit bijvoorbeeld de Bijbel wordt verteld, andere scholen hebben ook een dagopening en een dagafsluiting. Je kunt het beste bij de betreffende school informeren hoe het in zijn werk gaat. Het belijden van het geloof is geen toelatingseis, al is het prettig om er affiniteit mee te hebben.

Algemeen bijzonder onderwijs
Naast het ‘frontale onderwijs’ oftewel, de klassikale lessen waarbij de docent uitlegt en de leerlingen luisteren, bestaan er scholen die gebaseerd zijn op de overtuiging dat er andere mogelijkheden zijn. Een groep onderwijskundigen vond aan het begin van de vorige eeuw, dat opvoeding en onderwijs dichter bij elkaar moesten staan, daarbij uitgaande van het individuele kind. Dit resulteerde in de intrede van o.a. het Montessorionderwijs, de Jenaplanscholen en het Da
ltononderwijs.

Speciaal onderwijs
Sommige kinderen hebben problemen. Ze kunnen moeilijk leren, hebben een handicap of hebben gedragsproblemen. Deze kinderen kunnen soms niet naar een ‘gewone’ school. Voor hen zijn er scholen voor speciaal onderwijs. Op deze scholen krijgen ze extra aandacht of zorg. In Nederland zijn er ongeveer 320 scholen voor speciaal onderwijs. Dit kunnen openbare of bijzondere scholen zijn. Tegenwoordig werken de gewone scholen en de scholen voor speciaal basis onderwijs samen. Op deze manier kunnen zoveel mogelijk kinderen naar een gewone school.

Montessori
De eerste Montessori kleuterschool in Nederland dateert uit 1914. Maria Montessori, de grondlegster van het gelijknamige onderwijstype, was ervan overtuigd dat kinderen zich het beste zelf konden ontwikkelen in een groep met kinderen van andere leeftijden. Het onderwijs moest daarbij aansluiten bij de belevingswereld van het kind.
De leraren worden daarbij begeleiders genoemd.

Montessori in de praktijk:

  • Weinig tot geen klassikale lessen: kinderen krijgen dag- of weektaken die op een bepaald tijdstip af moeten zijn. De leraar is hierbij een begeleider.
  • Er zijn groepen met kinderen van verschillende leeftijden, opgesplitst in drie jaarlagen, zodat het kind een keer de jongste, de middelste en de oudste is. 
  • Niet de docent, maar het kind corrigeert fouten. Aan de hand van antwoordkaarten corrigeren kinderen hun gemaakte opdrachten en leren zo zelf wat zij niet goed hebben gedaan. 
  • Er is geen cijferbeoordeling; geen rapporten met cijfers dus. De ‘docent’ houdt een registratie bij waarin is vastgelegd welke activiteiten het kind gedaan heeft en hoe dit is uitgevoerd.
  • Er wordt gewerkt met speciaal ontworpen lesmateriaal, ook wel ontwikkelingsmateriaal genoemd, waarbij het kind zelf ontdekt hoe de verschillende materialen te gebruiken, bijvoorbeeld het stapelen van blokken.

Kortom, je kindje leert zelfstandig te werken -in vrijheid- maar wordt niet helemaal losgelaten. Realiseer je dat je kindje nauwelijks klassikaal les krijgt en de vaardigheden die hij of zij op een bepaalde leeftijd heeft, kan afwijken van de vaardigheden van leeftijdsgenoten op een ‘gewone’ school.

Jenaplan
De Duitse Peter Petersen uit het plaatsje Jena in Duitsland, is de grondlegger hiervan en stamt uit 1924. Hij vond dat de intellectuele ontwikkeling en opvoeding geïntegreerd moesten zijn in het onderwijs dat zij volgen.

Jenaplan in de praktijk:

  • Geen klassen, maar stamgroepen met daarin kinderen met een leeftijdsverschil van drie jaar. Elke stamgroep heeft een eigen, huiselijke ruimte en de kinderen dragen hiervoor verantwoordelijkheid, zoals het opruimen van de ruimte.
  • Weinig klassikaal onderwijs: samenwerking tussen kinderen is belangrijk, ook met kinderen van andere leeftijden.
  • Naast rekenen, lezen en schrijven, worden ook de creatieve en sociaal-emotionele vaardigheden ontwikkeld.
  • Er is een vast, ritmisch weekschema waarbij kringgesprekken, zelfstandig werken, samenwerken aan een thema en creatieve vakken aan bod komen. Spanning en ontspanning worden afgewisseld na iedere activiteit. 

Kortom, je kind ontwikkelt sociaal-emotionele vaardigheden en kan zeer creatief zijn op school, werkt veel samen en ontwikkelt een sterk zelfbeeld. Er is weinig tot geen klassikaal onderwijs. Wel is er sprake van een duidelijke structuur, maar het accent ligt op geborgenheid en huiselijkheid. Ook hier zijn de dingen die een kind op een gewone school moet weten op een bepaalde leeftijd, zij het minder strak omlijnd.

Daltononderwijs
Helen Parkhurst richtte in 1919 de eerste school op in de plaats Dalton in Amerika. Ook bij deze vorm staat het kind centraal, met als belangrijkste punten vrijheid in gebondenheid, zelfstandigheid en samenwerking.

Dalton in de praktijk:

  • Weinig klassikale lessen: kinderen hebben een aantal taken en delen zelf hun tijd in, zolang de taken maar op tijd af zijn. Dit zijn weektaken, maandtaken, individuele of groepstaken. De leraar is hierbij begeleider.
  • Kinderen leren samenwerken: zo komen zij tot een oplossing.
  • Soms werken de kinderen op verschillende plekken, binnen of buiten de klas.

Samengevat: Je kindje leert zijn of haar ‘werkjes’ te plannen en uit te voeren. Geen klassikaal onderwijs, maar wel zelfstandigheid en leren samenwerken. Kinderen hebben meer vrijheid en mogen soms buiten de klas werken.

Vrije school
Wellicht dat de Vrije school associaties oproept van losgeslagen kinderen die de hele dag vrij zijn om te doen waar zij zin in hebben. Dat is echter een misvatting. De term vrij betekent in dit geval ‘vrij van staatsinmenging’. In Nederland bestaat er vrijheid van onderwijs en bepalen scholen zelf hoe zij het onderwijs invulling geven. Uiteraard zijn hier wel grenzen aan gesteld.

De Vrije school gaat uit van de antroposofie (mens en wijsheid): de ontwikkeling van de menselijke vermogens staat hierin centraal. Het gevoel voor het sociale en kunstzinnige aspect van het leven wordt benadrukt. Dit type onderwijs gaat ervan uit dat ieder kind een eigen ‘opdracht’ in het leven heeft, waarbij het onderwijs ondersteuning moet bieden.

De Vrije school in de praktijk:

  • Klassen met meerdere leeftijdsgroepen.
  • Spel en materialen worden dusdanig aangeboden dat er volop ruimte is voor de eigen invulling door het kind. Activiteiten, passend bij het kind komen als punten van houvast steeds op dezelfde dagen terug.
  • Creatieve werkzaamheden zoals tekenen, broodbakken, schilderen, knutselen of werken met bijenwas.

In het kort: Ritme en herhaling, veiligheid en een sfeer van warmte en vertrouwen, dat is de basis voor de ontwikkeling van je kind op de Vrije school. Je hoort Vrije Schoolouders nogal eens zeggen: 'mijn kind wordt gezien hier op school.' Wat opvalt bij deze vormen van onderwijs, is dat ze veel raakvlakken hebben. Ze benadrukken allen een ander aspect.

Ben je in deze vorm of vormen geïnteresseerd, dan is het verstandig om de scholen te bezoeken en nadere informatie te krijgen tijdens een persoonlijk gesprek. Zo kom je erachter welke type het beste aansluit bij jouw levensovertuiging.

Brede school
Overgewaaid uit Groot-Brittannië en Zweden is de schoolvorm die de toekomst heeft in Nederland, de brede school. Dit is een samenwerkingsverband tussen partijen die zich bezighouden met opgroeiende kinderen. Het doel van dit samenwerkingsverband is de ontwikkelingskansen van de kinderen te vergroten. Daarbij wordt op elkaar aansluitende opvang geboden. Kinderopvang, welzijn, peuterspeelzaal, sport, cultuur, bibliotheek en andere instellingen kunnen ook een onderdeel van de brede school zijn. Voor werkende ouders kan dit een oplossing zijn. Het idee dat een school het beste met de kinderen voor heeft door met zoveel professionele partijen samen te werken, is echter voor iedere ouder een prettige gedachte.

De brede school in de praktijk:

  • Een plek waar school en voor- en naschoolse opvang in elkaar samenvloeien. Dit is prettig voor de kinderen omdat dit voor hen één geheel is. Nu zijn de kinderen op de basisschool vaak de hele dag onderweg: van de voorschoolse opvang naar school, dan overblijven, dan weer naar school en vervolgens naar de naschoolse opvang.
  • Binnen sommige brede scholen zijn er peuterspeelzalen en crèches aanwezig. 
  • Samenwerking met culturele en sportcentra, maar ook met welzijnsorganisaties.

Brede scholen zijn overal te vinden: in 337 gemeenten van de 443 in Nederland zijn er brede basisscholen of zijn ze in ontwikkeling. Dit wil zeggen, ongeveer 1000 basisscholen.

Naast bovengenoemde onderwijsvormen, bestaan de volgende vormen ook nog:

Freinetonderwijs

  • Levend Leren op een natuurlijke manier.
  • Samen met andere kinderen werken en leren.
  • Maar ook zelfstandig.
  • Werken naar eigen belangstelling en vanuit eigen ervaring
  • Samen verantwoordelijk; ook voor onderlinge verhoudingen!

Iederwijs
Iederwijs is ontstaan vanuit de praktijk van het onderwijs. De belangrijkste vraag hierin was: Wat hebben kinderen nodig?   Wat is de kern van onderwijs? Wat geven kinderen zelf aan in wat ze nodig hebben ,en wat wordt er ,in een veranderende maatschappij, van een kind verwacht?

Maar kunnen kinderen hun eigen school vorm geven? Leren ze dan genoeg? Welke leerprocessen vinden er dan plaats? Wat is de rol van de leerkracht en begeleider hierin? Waar kunnen zij loslaten, waar zijn ze nodig en waar moeten ze actief bijdragen? Met die open blik is Iederwijs ontwikkeld.

© Nationale Onderwijsgids
© 2012 De Nationale Onderwijsgids. Alle rechten voorbehouden